Absolute  voorrangregels

De woongelegenheden wordt toegewezen volgens de chronologische volgorde van de inschrijvingen in het inschrijvingsregister van de kandidaat-huurders. Hierbij wordt achtereenvolgens aan volgende kandidaat-huurders een absolute voorrang toegekend:

 1° de kandidaat-huurder of een van zijn gezinsleden met een fysieke handicap of beperking, uitsluitend als de beschikbare woning door de daarop gerichte investeringen is aangepast aan de huisvesting van personen met die fysieke handicap of beperking of de kandidaat-huurder die ingeschreven is voor een sociale assistentiewoning, als de beschikbare woning een sociale assistentiewoning is.

   1°bis de kandidaat-huurder die huurder is van een sociale huurwoning van de SHM die overbezet is volgens de normen van de Vlaamse Wooncode;

  1°ter de kandidaat-huurder die huurder is van een sociale huurwoning van de SHM die aangepast is aan de fysieke mogelijkheden van personen met een handicap en niet langer bewoond wordt door een persoon die daar nood aan heeft;

  1° quater een benadeelde kandidaat-huurder (verhaal - met toepassing van artikel 30, vierde lid KSG);

 2° de kandidaat-huurder die nog geen huurder is van een sociale huurwoning, en die overeenkomstig artikel 18, §2, tweede lid, 26,60,§3, en 90, §1, vierde lid, van de Vlaamse Wooncode opnieuw moet worden gehuisvest;

 3° de kandidaat-huurder die huurder is van een sociale huurwoning van CVBA Hulp in Woningnood die niet voldoet aan de rationele bezetting, en die wil verhuizen naar een andere sociale woning van CVBA Hulp in Woningnood die aan de rationele bezetting voldoet, als de kandidaat-huurder CVBA Hulp in Woningnood in kennis stelt van de exacte gezinssamenstelling.

 4° de kandidaat-huurder van wie de gezinshereniging nog niet heeft plaatsgevonden. Bij toewijzing van een woongelegenheid aan een kandidat-huurder met een gezinshereniging wordt rekening gehouden met de huidige gezinssituatie;

 5° de kandidaat-huurder die in de gemeente waar de toe te wijzen woning gelegen is, zijn hoofdverblijfplaats had in een onroerend of roerend goed dat niet hoofdzakelijk bestemd is voor wonen, op de datum waarop dat in een proces-verbaal overeenkomstig artikel 20, §2, eerste lid van de Vlaamse Wooncode werd vastgesteld;

 6° de kandidaat-huurder die in de gemeente waar de toe te wijzen woning gelegen is, zijn hoofdverblijfplaats had in een woning op de datum waarop die:

  • onbewoonbaar werd verklaard overeenkomstig artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet, en waarvan de ontruiming noodzakelijk was. De onbewoonbaarverklaring dient uitdrukkelijk de voorrang voor sociale huisvesting te vermelden.
  • met toepassing van artikel 15 of 16bis van de Vlaamse Wooncode ongeschikt of onbewoonbaar verklaars is of het voorwerp was van een conformiteitsonderzoek als vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor woningen, voor zover die woning op het technisch 

 7° de kandidaat-huurder die zijn hoofdverblijfplaats had in een woning op de datum waarop die woning deel uitmaakt van een vastgesteld onteigeningsplan;

 8° de kandidaat-huurder die een ontvoogde minderjarige persoon is.

Optionele voorrangregels

Er wordt voorrang verleend aan de kandidaat-huurder die in de periode van zes jaar vóór de toewijzing ten minste drie jaar inwoner is of geweest is van de gemeente waar de toe te wijzen woning gelegen is.